terug naar tips

 

Bandenspanning

 De bandenspanning heeft meer invloed op het weggedrag van je motor dan je zou vermoeden.
 
Een band is een pneumatisch systeem dat het gewicht van een voertuig ondersteunt door middel van samengeperst gas (meestal lucht) die vanuit het karkas druk uitoefent. Het karkas van de band is het frame waarop het rubber wordt bevestigd.
Het karkas dient als wapening voor de band en geeft aan de band zijn sterkte, stijfheid en veereigenschappen.
Het karkas moet de zijdelingse en verticale krachten opvangen. Deze krachten worden door de hiel en de wang van de band geleid.
Het loopvlakrubber moet zowel de aandrijf-, rem- als zijdelingse krachten (zijwind en bochten) overbrengen op het wegdek.
 
Een band functioneert dus als een soort veer tussen de velg en de weg, wat in grote mate het rijcomfort bepaalt. Het dragende element van een band is het onder druk opgesloten luchtvolume. De karkassterkte bepaalt hoe hoog de bandenspanning maximaal kan zijn. Luchtvolume en karkassterkte bepalen samen het draagvermogen van de band.
Het is belangrijk je te realiseren dat de uitrekkingskracht van het karkas heel groot is, maar het karkas bijna geen samendrukkingskracht heeft. De lucht creëert een druk tegen de binnenkant van de band waardoor deze in staat is gewicht te dragen. Daarom is de juiste bandendruk zo belangrijk. Die moet het gewicht van de motor en de mensen die erop zitten met bagage dragen.
 
Het draagvermogen van een band wordt gedefinieerd als de toegelaten belasting die door een gewicht op een band mag worden uitgeoefend. De band zelf ondersteunt niet het gewicht, de luchtdruk in je band doet dat.
Overbelasting en daarbij een hoger tempo neemt een band zonder commentaar aan. Overbelasting werkt op de banden net als een te lage luchtdruk. De band reageert met een versterkte profielslijtage en in extreme gevallen ook met een plotselinge klapband. Erg kritisch is een combinatie van meerdere zonden als overbelasting, een te lage luchtdruk, hoge snelheid en daarbij hogere buitentemperaturen (bijvoorbeeld op vakantie).
 
De fabrikant heeft nauwkeurig de juiste bandenspanning vastgesteld. Die is bepalend voor een optimale rentabiliteit en bepalend voor een optimaal gebruik van de band. Door je bandenspanning regelmatig te controleren en aan te passen verhoog je in grote mate je eigen veiligheid.
 
Onder / overspanning
Sommige motorrijders zeggen dat je in de winter meer psi (pounds per square inch) in je banden dient te hebben dan in de zomer.
Niet dus.
Een andere mythe is juist andersom: om de bandenspanning in de winter lager te hebben en je bandenspanning te controleren na een lange rit.
 
Bandenspanning past zichzelf aan: lager in de winter en hoger in de zomer. De enige actie van de motorrijder is de aanbevolen bandenspanning op peil te houden. Zorg voor een goede bandenspanning: niet te weinig, maar ook niet te veel. Welke waarde is te vinden in het instructieboekje of op een sticker op het spatbord of de achtervork. Bij elke 20 graden temperatuurschommeling schommelt ook de psi met 1 of 2 graden.
Denk niet dat je met een lagere bandenspanning beter op sneeuw of ijs kunt rijden. Het werkt niet. Het enige dat je ermee bereikt is dat je banden ernstig afslijten. Bovendien zorgt onderspanning voor minder stuurvermogen en raken ze eerder oververhit waardoor ze kunnen springen. Met als gevolg ernstige verkeersongevallen.
 
Het kan zijn dat als je een keer met een te lage bandenspanning gereden hebt waarbij de band oververhit is geraakt, je een nieuwe band aan moet schaffen.
Door de hitte kan de olie die bij het productieproces van de band gebruikt wordt, naar het oppervlak van de band komen (blauwe gloed) en daarbij de compound zo veranderen dat de band gevaarlijk en onbruikbaar wordt. Een band mag maximaal 50 à 60 graden warm worden. Door een te lage bandenspanning treedt meer vervorming op, daardoor wordt de band heet en slijt. Boven de zeventig graden is het gevolg desastreus, wat voor soort band je ook hebt. Een band moet een goede werktemperatuur hebben. Word je band te heet, dan kan het gebeuren dat je ineens je grip kwijt bent en valt. Dit geldt ook voor een te koude band. Wanneer een band onregelmatig versleten is, is de vering slecht, is het een slecht product of slecht opgepompt. Een slappe band wil alleen nog vooruit. Iedere 0,2 bar afwijking te laag kan een hogere temperatuur van de band tot gevolg hebben. Als je alleen rijdt is dit wat minder, maar vooral met een duopassagier plus bagage krijg je extra vervorming. Verhoog de bandenspanning in voor- en achterband voor elke 50 kilo met 2 psi.
 
Bandenspanningsmeter
De meeste meters bij tankstations kloppen niet doordat ze beschadigd zijn. Schaf een goede bandenspanningsmeter aan en controleer iedere week je bandenspanning en voor een langere rit met dezelfde bandenspanningsmeter. Meet je bandenspanning als je banden nog koud zijn.
 Moet je meer dan twee kilometer rijden om je bandendruk te kunnen opmeten, meet dan eerst de koude onderinflatiedruk van elke band en registreer de werkelijke onderinflatie van elke band. Arriveer je bij het servicestation, meet dan nog een keer de bandendruk en pomp de warme band op tot het niveau dat gelijk is aan deze warme druk plus de koude onderinflatiehoeveelheid.
 
Bij circuitrijden of volledige belasting (bagage, duopassagier) de voorband oppompen tot het maximum aanbevolen door de fabrikant, de achterband tot het maximum aangegeven op de zijwand van de band.
Verhoog de bandenspanning in voor- en achterband met 2 psi voor elke 50 kilo extra (tot het maximum).
 
Banden verliezen altijd lucht doordat deze zich door de band dringt, afhankelijk van de buitentemperatuur. Hoe warmer het is, hoe meer lucht een band verliest. Gemiddeld zal een band zo'n halve tot 1 kilo lucht per maand verliezen, bij warm weer zelfs meer. Nooit de druk verlagen als je banden heet zijn. Het is normaal dat de bandenspanning hoger wordt als je rijdt. Bedenk: elke 1 psi luchtverlies is ongeveer gelijk aan 30 tot 35 kilo verlies aan draagcapaciteit.
Gevolgen van een te lage bandendruk:
  • een slechtere wegligging
  • een slechtere besturing
  • een slechtere werking van vering en demping
  • meer benzineverbruik
  • onjuiste manoeuvres in bochten
  • onvoldoende capaciteit om het gewicht te ondersteunen (onjuiste tractie)
  • hogere temperatuur
  • onregelmatige slijtage aan de rand waar de band in aanraking komt met de weg
  • barstjes en scheurtjes in het rubber van het loopvlak en van de zijkant (wang).
 
Als er scheurtjes aan de binnenkant van de band ontstaan, waar je ze niet kunt zien, dan kunnen deze groter worden en uiteindelijk een blaas vormen die uit de zijkant knapt. Deze plotselinge deflatie kan ervoor zorgen dat je je motor niet meer onder controle kunt houden.
 
Sleutelwoord is hier: regelmatig controleren en op de juiste druk brengen (afhankelijk van het gewicht en/of de bagage). Zorg ervoor dat je je ventielen goed afgedekt hebt met rubberen dopjes om vuil en stof buiten en lucht binnen te houden.
 
Haaks ventiel
Tip:
Bij veel motoren zitten de remschijven van het voorwiel in de weg als je bij een benzinepomp je bandenspanning wilt controleren en je banden op spanning wilt brengen. Haakse ventielen die je op je gewone ventiel kunt schroeven zijn dan een uitkomst. Bij regelmatig oppompen heb je dan minder snel last van een lek ventiel.